Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: R. van Dooren).
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
Prefetavan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 13 september 2018 (ECLI:EU:C:2018:719) en het arrest
Tarolavan het Hof van 11 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:309). De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Eiser staat immers niet ingeschreven als werkzoekende bij het UWV en is al gedurende een periode van meer dan twee jaar werkloos. Daarnaast heeft eiser ter zitting gesteld dat de bewijslast in dit kader ten onrechte bij hem is neergelegd. Hierbij wijst eiser op paragraaf B10/2.2.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling ook niet slagen, nu het beleid uit paragraaf B10/2.2.1.2 van de Vc een aanvulling is op de voorwaarden die volgen uit artikel 8.12, tweede lid, van het Vb en eiser niet aan deze voorwaarden voldoet.
Actieve informatieplicht van de minister
FSvan het Hof van 22 juni 2021(ECLI:EU:C:2021:506) niet vermeld welke stappen eiser moet nemen om zijn verblijfsrecht effectief en daadwerkelijk te beëindigen.
FSarrest genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel. Deze toets is zeer casuïstisch van aard en de verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest
FS.Daarbij komt dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Eiser heeft Nederland nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf effectief is beëindigd vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou willen verblijven.