Uitspraak
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Surinaamse staatsburger, verzocht om een EU/EER verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro, stellende dat hij een bijzondere afhankelijkheidsrelatie heeft met zijn Nederlandse meerderjarige zus. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk maakte dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden, zoals vereist volgens het arrest K.A. van het HvJEU.
Eiser voerde in beroep aan dat verweerder de hoorplicht had geschonden, dat medische noodsituaties en psychische klachten een verblijfsrecht rechtvaardigen en dat hij als verwesterde vreemdeling rechtmatig verblijf moet krijgen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie en dat verweerder terecht eerst toetsing aan het EU-recht en vervolgens aan het EVRM verrichtte.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het arrest Jeunesse en het beroep op een absolute hoorplicht in bezwaar. De stelling dat verweerder onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld werd niet onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het beroep ongegrond is, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening eveneens werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.