Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 3 februari 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiseres stelde de minister op 28 mei 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
Omdat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn en de minister niet vóór die datum in gebreke is gesteld, kan de rechtbank geen reeds verbeurde dwangsom vaststellen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 453,50 vanwege het inschakelen van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder en is uitgesproken op 4 juli 2025. De minister wordt opgedragen binnen de gestelde termijnen alsnog een besluit te nemen, onder dreiging van de opgelegde dwangsom.