Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 1 november 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden onder toepassing van WBV 2023/3. Eiser stelde de minister tijdig in gebreke op 12 maart 2025 en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Verder bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van €100 per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing is, volgt de rechtbank de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die stelt dat een dwangsom wel kan worden opgelegd.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de beslistermijn ging. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en is uitgesproken op 3 juli 2025.