Eiser, een Iraakse vreemdeling, had beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2023 waarbij zijn verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht werd ingetrokken, zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen en een terugkeerbesluit met een inreisverbod van 20 jaar werd opgelegd.
De rechtbank onderzocht of eiser procesbelang had bij het beroep. Verweerder informeerde de rechtbank dat eiser kort na het bestreden besluit naar Irak was vertrokken en daarna meerdere keren had geprobeerd het Schengengebied via Duitsland binnen te komen, maar was geweigerd. De gemachtigde van eiser had geen contact meer met hem en kon zijn verblijfplaats niet achterhalen.
De rechtbank concludeerde dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, mede omdat hij niet op de zitting verscheen en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Hierdoor ontbrak het aan een rechtens te beschermen belang bij de beoordeling van het bestreden besluit.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 21 mei 2025.