Uitspraak
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Poolse EU-onderdaan die halverwege 2023 naar Nederland kwam en een zwervend bestaan leidt, werd geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. Verweerder stelde dat eiseres geen reële arbeid verricht en geen eigen middelen heeft, en legde een vertrektermijn van een maand op.
Eiseres voerde aan dat de verwijderingsmaatregel onduidelijk is en niet voldoet aan EU-rechtelijke beginselen, met name inzake het daadwerkelijk en effectief beëindigen van verblijf en de belangenafweging bij de vertrektermijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende informatie heeft verstrekt over het beëindigen van het verblijf, mede gebaseerd op het arrest F.S. van het HvJEU en een openbare werkinstructie.
De rechtbank stelde vast dat voor dakloze personen zoals eiseres niet alle elementen uit het arrest F.S. van toepassing zijn, maar dat dit niet leidt tot onduidelijkheid. Ook is geen verplichting tot een uitgebreide belangenafweging bij het opleggen van een vertrektermijn van één maand. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak inmiddels is beslist en er geen connexiteit meer bestaat.
Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag en is openbaar bekendgemaakt op 17 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.