ECLI:NL:RBDHA:2025:12095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL23.36094
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. van der Wal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit leeftijdsregistratie vreemdeling en vaststelling minderjarigheid

Eiser, met de Eritrese nationaliteit, stelde minderjarig te zijn en gaf 1 januari 2006 op als geboortedatum bij zijn asielaanvraag. De minister verwierp deze verklaring en ging uit van een meerderjarige leeftijd, gebaseerd op leeftijdsregistraties in Italië en een leeftijdsschouw. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet van de door eiser gestelde minderjarigheid is uitgegaan.

De minister baseerde zich op informatie van Italiaanse autoriteiten en een aangepaste geboortedatum van 1 mei 2003, maar kon niet adequaat onderbouwen waarom deze registratie zwaarder moest wegen dan de verklaringen en indicatieve bewijzen van eiser. Ook werd onvoldoende gebruikgemaakt van de geldende werkinstructies voor leeftijdsbepaling, waaronder de mogelijkheid voor de vreemdeling om zijn minderjarigheid aannemelijk te maken.

De rechtbank stelt vast dat de minister tekort is geschoten in het onderzoek en de motivering, onder meer doordat vervolgonderzoek achterwege bleef en de Italiaanse autoriteiten niet volledig werden bevraagd. Gezien de twijfel en de aanwijzingen voor minderjarigheid, moet het vermoeden van minderjarigheid gelden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de geboortedatum van eiser vast op 1 januari 2006. De minister krijgt zes weken om een nieuw besluit uit te reiken. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en stelt de geboortedatum van eiser vast op 1 januari 2006.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36094

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 8 november 2023 (het bestreden besluit) waarbij eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is ingewilligd, maar hij niet is geloofd in zijn verklaringen over zijn (minderjarige) leeftijd. Eiser is het niet eens met de geregistreerde geboortedatum.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Eisers gemachtigde heeft op voorhand meegedeeld af te zien van de mogelijkheid om het beroep op zitting nader toe te lichten en is daarom niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, omdat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet van de door eiser gestelde minderjarigheid is uitgegaan. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister een nieuw besluit aan hem moet uitreiken, waarin als geboortedatum 1 januari 2006 is vermeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Nadat hij Eritrea heeft verlaten, is hij via Italië de Europese Unie ingereisd. Vervolgens is hij via onder meer Frankrijk, Nederland ingereisd.
3.1.
Eiser heeft bij zijn asielaanvraag 1 januari 2006 als geboortedatum opgegeven. Tijdens het verhoor door twee verbalisanten van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) is door hen unaniem geoordeeld dat eiser zonder twijfel minderjarig is. Twee weken later heeft de rapporteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) tijdens het aanmeldgehoor AMV geoordeeld dat eiser zonder twijfel meerderjarig is.
3.2.
Omdat er twijfel bestond over eisers opgegeven leeftijd, is daar verder onderzoek naar gedaan. De minister heeft verzoeken om informatie gedaan aan de autoriteiten in Frankrijk en Italië, over de vaststelling van onder meer eisers leeftijd in die lidstaten. De Franse autoriteiten hebben laten weten dat eiser bij hen onbekend is. Bij de Italiaanse autoriteiten bleek eiser bekend te zijn onder twee aliassen, die beide duiden op de meerderjarigheid van eiser. Op verzoek van de minister heeft de AIVM vervolgens eisers geregistreerde geboortedatum aangepast naar 1 mei 2003 – een van de geboortedata waaronder eiser bekend is bij de Italiaanse autoriteiten. Hierdoor is eiser in de Dublinprocedure terechtgekomen.
3.3.
Na een mislukte overdracht aan de Italiaanse autoriteiten is eisers asielaanvraag verder behandeld in de nationale procedure. De minister heeft de asielaanvraag ingewilligd en is daarbij uitgegaan van 1 mei 2003 als eisers geboortedatum. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 gekregen. Deze vergunning is geldig van 16 november 2021 tot 16 november 2026.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser vindt dat de minister van een onjuiste geboortedatum is uitgegaan en hem ten onrechte als meerderjarig heeft aangemerkt. Hij heeft indicatief bewijs overlegd waaruit zijn gestelde geboortedatum blijkt. De minister heeft ten onrechte geen aandacht besteed aan het beleid uit Werkinstructie (WI) 2023/6 Leeftijdsbepaling. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft belang bij een juiste registratie van zijn geboortedatum ‘om verder door het leven te kunnen gaan in Nederland met zijn daadwerkelijke geboortedatum en daaruit voortvloeiende leeftijd’.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De hoogste bestuursrechter – de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen en de minister daarom (in beginsel) niet langer mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie (ECLI:NL:RVS:2024:3992). In de uitspraak van 24 december 2024 heeft de hoogste bestuursrechter hierover nader overwogen dat dit niet betekent dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling (ECLI:NL:RVS:2024:5364). De minister zal de leeftijd van een vreemdeling moeten beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal de minister steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht aan een bepaalde registratie wordt toegekend en waarom. Ook zal de minister alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als die vreemdeling dat stelt en de minister daaraan twijfelt. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De minister zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als de minister na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en de minister ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal de minister dat moeten motiveren.
6. Eiser heeft bij aankomst in Nederland gesteld minderjarig te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum 1] 2006. Omdat eiser zijn gestelde minderjarige leeftijd toen niet heeft kunnen aantonen met bewijsmiddelen, heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. Deze leeftijdsschouw vindt plaats op basis van eisers uiterlijk, gedrag en verklaringen, zo blijkt uit WI 2025/1 Leeftijdsbepaling. In tegenstelling tot de waarnemingen van de twee AIVM-verbalisanten zag de IND-rapporteur duidelijk zichtbare groeven rond de mondhoeken en een duidelijk zichtbare adamsappel bij eiser. Volgens deze rapporteur had eiser ook een beginnend vlassig/donzig snorretje en kwam eisers gestelde leeftijd niet overeen met zijn verklaring over de scheiding van zijn ouders. Hoewel de rechtbank het opmerkelijk vindt dat binnen een korte termijn van twee weken zeer specifieke uiterlijke kenmerken zowel niet als wel worden gezien, is zij – alles afwegende – van oordeel dat de minister voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld dat er sprake is van twijfel over de minderjarigheid van eiser, zodat er nader onderzoek mocht worden gedaan.
7. Uit het in overweging 3.2 genoemde onderzoek is gebleken dat eiser in Italië bekend is onder de aliassen [alias 1] (geboren [geboortedatum 2] 2003) en [alias 2] (geboren [geboortedatum 3] 2001) en daar (dus) als meerderjarig staat geregistreerd. De Italiaanse autoriteiten hebben geen antwoord gegeven op een aantal vragen die in het verzoek om informatie zijn gesteld. Deze vragen gingen over de leidende personalia en de wijze waarop de personalia zijn onderbouwd. Uit het verweerschrift en de verduidelijking daarvan ter zitting volgt dat de minister ervan uitgaat dat aan de leeftijdsregistratie in Italië enkel verklaringen van eiser ten grondslag liggen, gelet op enerzijds het ontbreken van een toelichting op de personalia door de Italiaanse autoriteiten en anderzijds eisers verklaringen in Nederland over zijn aankomst en verblijf in Italië. De minister vindt eisers verklaring over de opgegeven personalia [alias 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2001) (enigszins) plausibel. Dit is volgens de minister anders voor de overige (afwijkende) personalia. De rechtbank volgt de minister niet in diens stelling dat de minister daarbij zwaar heeft mogen meewegen dat eiser over zijn leeftijdsregistratie in Italië tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Hoewel eiser in zijn verklaringen niet altijd even duidelijk is over zijn leeftijdsregistratie in Italië, zijn eisers verklaringen naar het oordeel van de rechtbank in de kern voldoende consistent en plausibel: eiser heeft in Italië (een) meerderjarige leeftijd(en) opgegeven, omdat hij wilde doorreizen naar een ander land en zijn minderjarigheid hieraan in de weg stond. De minister moet daarom met meer bewijs komen om de minderjarigheid te ontzenuwen.
8. De minister heeft verwezen naar het rapport van Bureau Documenten van de IND waarin een door eiser overgelegde doopakte is onderzocht. Hieruit blijkt weliswaar dat het document geen officieel bewijs van geboorte is en er ‘gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal’ geen uitspraak over de echtheid, opmaak en afgifte van het document wordt gedaan, maar hieruit blijkt evenmin iets over de mogelijke meerderjarigheid van eiser. Daarom kan dit document, anders dan de minister vindt, naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het ontzenuwen van de gestelde minderjarigheid.
9. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gebruik is gemaakt van WI 2018/19 Leeftijdsbepaling en niet van WI 2023/6 Leeftijdsbepaling. Laatstgenoemde werkinstructie was namelijk op dat moment (ook) geldig en daaruit volgde onder meer dat een vreemdeling de mogelijkheid had om alsnog zijn gestelde minderjarigheid aannemelijk te maken. Zo kon een vreemdeling op grond van (bij voorkeur) identificerende documenten, maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist was (zie paragraaf 2.4.2).
10. Mede naar aanleiding van de in overweging 5 genoemde uitspraken is er inmiddels een nieuwe werkinstructie opgesteld, WI 2025/1 Leeftijdsbepaling. Uit paragraaf 3.6 blijkt – samengevat en voor zover dat van belang is voor deze zaak – het volgende. Als een vreemdeling in een lidstaat met verschillende geboortedata staat geregistreerd die allen maken dat de vreemdeling als meerderjarig moet worden beschouwd, dan moet worden nagegaan welke geboortedatum leidend is en of er documenten dan wel leeftijdsonderzoek aan de registraties ten grondslag liggen/ligt. Als het onderzoek in de lidstaat geen resultaat oplevert, vormen de verklaringen van de vreemdeling over de registratie de basis voor de verdere beoordeling. Als uit het onderzoek naar de registraties in de andere lidstaat geen duidelijk resultaat komt (of het antwoord laat te lang op zich wachten/het wordt niet zinvol geacht om een vervolgvraag te stellen), kan alsnog vervolgonderzoek plaatsvinden, zoals een medisch leeftijdsonderzoek.
11. De Italiaanse autoriteiten hebben geen antwoord gegeven op de vragen die in het verzoek om informatie zijn gesteld (zie overweging 7). Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister ter zitting aangegeven dat navraag doen geen resultaat zal opleveren omdat de Italiaanse autoriteiten doorgaans niet uitgebreid zijn in hun antwoorden en de beantwoording waarschijnlijk met een klein tekstblokje zal worden afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet zinvol was om na ontvangst van de informatie van de Italiaanse autoriteiten (bijvoorbeeld) de vragen nogmaals te stellen of te wijzen op de onbeantwoorde vragen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom ander vervolgonderzoek niet heeft plaatsgevonden. De onduidelijkheid over de leeftijdsregistraties in Italië en het (vervolgens) niet uitvoeren van een vervolgonderzoek komt, naar het oordeel van de rechtbank, voor eigen rekening en risico van de minister en draagt daarom niet bij aan het ontzenuwen van de gestelde minderjarigheid.
12. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat door twee AIVM-verbalisanten bij de leeftijdsschouw zonder twijfel is geconcludeerd dat eiser minderjarig is.
13. De rechtbank is van oordeel dat, gezien het vorenstaande en gelet op alle omstandigheden, de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van de door eiser gestelde geboortedatum ( [geboortedatum 1] 2006) en eisers minderjarigheid is uitgegaan, maar van de in Italië geregistreerde geboortedatum ( [geboortedatum 2] 2003) en eisers meerderjarigheid.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de in de aanhef van het besluit vermelde geboortedatum van eiser. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, gelet op het tijdsverloop sinds de asielaanvraag, het feit dat de geboortedatum van eiser het enige geschilpunt is tussen partijen en de omstandigheid dat alle geboortedata – gesteld en geregistreerd – erop duiden dat eiser inmiddels meerderjarig is. Het is niet nodig en ook niet zinnig om de minister weer een inhoudelijk besluit te laten nemen nu de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat de minister de door eiser opgegeven geboortedatum ( [geboortedatum 1] 2006) niet heeft kunnen wijzigen naar [geboortedatum 2] 2003 en dat navraag doen bij de Italiaanse autoriteiten, volgens de gemachtigde van de minister, geen resultaat zal opleveren. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister een nieuw besluit aan eiser moet uitreiken, waarin als geboortedatum [geboortedatum 1] 2006 is vermeld. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de in de aanhef van het besluit vermelde geboortedatum van eiser;
- stelt de geboortedatum van eiser vast op [geboortedatum 1] 2006 en bepaalt dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit aan eiser moet uitreiken, waarin deze geboortedatum is vermeld;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.