Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 15 november 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen een redelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Daarbij wordt het ‘8+8 wekenmodel’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toegepast, waarbij een maximale beslistermijn van 21 maanden geldt. Omdat deze termijn in deze zaak is overschreden, legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken na het verstrijken van de 21 maanden op, zijnde uiterlijk 10 oktober 2025.
De minister wordt opgedragen binnen deze termijn een besluit te nemen en wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De rechtbank benadrukt dat de termijn zorgvuldig en realistisch is en dat de minister voldoende tijd heeft om een besluit te nemen.