ECLI:NL:RBDHA:2025:11734
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde wegens ontbreken materieel belang
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres te een plaats, met een waardepeildatum van 1 januari 2022. Hij vordert een verlaging van de waarde van €210.000 naar €200.000. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen materieel belang heeft bij deze verlaging omdat hij huurder is en de huurprijs niet zal dalen.
Tijdens de zitting op 7 maart 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat de huidige huurprijs van belanghebbende (€556) ruim onder de maximale huurprijs ligt die zou gelden bij een lagere WOZ-waarde (€771,53). Hierdoor is het niet aannemelijk dat een verlaging van de WOZ-waarde invloed zal hebben op de huurprijs. Dit betekent dat het beroep niet ontvankelijk is op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
Belanghebbende heeft ook aangevoerd dat een verlaging van de WOZ-waarde een signaal zou zijn aan de gemeente om strenger op te treden tegen overlast rondom de woning. De rechtbank oordeelt dat dit signaalbelang niet relevant is voor de waardebepaling volgens de Wet WOZ, die zich uitsluitend richt op objectieve waardefactoren.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van materieel belang.