ECLI:NL:RBDHA:2025:11651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
NL25.6730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 56 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitstel van vertrek wegens ontbreken medische noodtoestand en feitelijke zorgtoegang

Eiser, van [nationaliteit], verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een matig ernstige recidiverende depressieve stoornis en suïcidale gedachten. De minister wees dit verzoek af omdat geen sprake is van een medische noodsituatie en eiser feitelijk toegang heeft tot noodzakelijke zorg in Armenië.

De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2025 en concludeerde dat het BMA-advies, dat de medische situatie van eiser beschrijft en de beschikbaarheid van behandeling in Armenië bevestigt, voldoende inzichtelijk en concludent is. De rechtbank verwierp het verweer dat het advies onzorgvuldig zou zijn en dat crisisinterventie noodzakelijk is.

Eiser voerde aan dat hij door de Armeense Amnestiewet en dienstplicht geen toegang zou hebben tot zorg en dat hij de kosten van behandeling niet kan dragen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk geen toegang tot zorg heeft en dat niet iedere dienstweigeraar wordt vervolgd. Ook de financiële situatie van eiser werd onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is, het beroep ongegrond en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van uitstel van vertrek blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6730

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Mayne),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van eisers aanvraag om hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 [1] te verlenen.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ter zitting waren tevens aanwezig eisers broer, vader en moeder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De minister heeft terecht geconcludeerd dat artikel 64 van Pro de Vw 2000 niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een medische noodsituatie en eiser toegang heeft tot de noodzakelijke zorg
.Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. Eiser is van [nationaliteit] nationaliteit. Hij heeft eerder zonder succes een asielprocedure en procedures om verlening van een reguliere verblijfsvergunning doorlopen. Op 22 maart 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend om hem uitstel van vertrek te verlenen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft zich in het primaire besluit en in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is na het genomen bestreden besluit omgeklapt naar een voorlopige voorziening hangende beroep.
7. Bij brief van 1 mei 2025 heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd om met spoed, althans vóór 8 mei 2025, het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat bij besluit van de minister van 22 april 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking is opgelegd op grond van artikel 56 van Pro de Vw 2000. Met ingang van 8 mei 2025 dient eiser te verblijven in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Bij uitspraak van 7 mei 2025 [2] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om de voorlopige voorziening afgewezen.
Het BMA-advies
8. Op 8 juli 2024 heeft het BMA [3] een advies uitgebracht over de medische situatie van eiser. In dat advies is - samengevat en voor zover van belang - vermeld dat eiser is gediagnosticeerd met een matig ernstige recidiverende depressieve stoornis. Op 24 januari 2024 is eiser opnieuw in beeld gekomen bij Mindfit vanwege suïcidale uitingen vanwege het ontbreken van perspectief op een verblijfsstatus. Eiser heeft eerdere periodes van zorgen en suïcidale gevoelens meegemaakt. In de zomer van 2022 is hij onder behandeling van Dimence gekomen en later bij Mindfit. Eiser heeft toen acceptance and commitment therapie (ACT) gehad. Eind 2023 ging eiser met ontslag van de behandeling. Hij voelde zich redelijk goed. Vanwege een afwijzing van het kinderpardon heeft eiser zich weer gemeld bij de GGZ. Eiser ervaart angst, somberheid, slapeloosheid en heeft dagelijks last van suïcidale gedachten en er is opnieuw gestart met ACT. De zorg werd na aanmelding in januari gelijk opgeschaald met behulp van het crisisteam in verband met suïcidale gedachten. De extra zorg van het crisisteam heeft zes weken geduurd. Eiser volgt therapie en slikt medicatie, voorgeschreven door de psychiater. Niet duidelijk is hoelang de behandeling zal duren. Het uitblijven van behandeling voor de depressie kan volgens het BMA leiden tot toename van de psychische klachten. Het risico op suïcide zal dan ook toenemen met mogelijk een suïcidepoging tot gevolg. Bij het uitblijven van behandeling voor de depressie wordt een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht. Eiser kan niet reizen, tenzij een fysieke overdracht naar een psychiater direct na de reis plaatsvindt. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt. Aanbevolen wordt tevens dat eiser de medicatie tijdens de reis continueert en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen. De fysieke overdracht is noodzakelijk vanwege het verhoogd suiciderisico. (Dreigende) uitzetting bij eiser zorgt voor een toename in psychische klachten en suiciderisico. Behandeling is aanwezig in het land van herkomst. Een voorbeeld van een instelling waar behandeling mogelijk is, is Avan Mental Health Center te Avan District, Yerevan (brondocument AVA 18326). Indien de fysieke overdracht naar een psychiater direct na de reis kan plaatsvinden, wordt eiser in staat geacht te reizen. Klinische en poliklinische behandeling door een psychiater is aanwezig onder andere in Avan Mental Health Center te Avan District. Crisisinterventie bij een suïcidepoging en gedwongen opname in een psychiatrische instelling is aanwezig in National Center for Mental Health Care te Nubarashen District, Yerevan. Medicatie is eveneens aanwezig. De beschikbare behandeling acht het BMA voldoende om een medische noodsituatie binnen de termijn van drie tot zes maanden te voorkomen.
Beroepsgronden
Is het BMA-advies onzorgvuldig tot stand gekomen?
9.1.
Eiser voert aan dat het advies niet voldoende inzichtelijk en concludent is. Het besluit is daarom in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het BMA-advies gaat uit van de mogelijkheid van een medische noodsituatie bij stopzetting van de behandeling wegens mogelijke toename van het suicidaliteitsrisico. Overdracht dient volgens het BMA-rapport plaats te vinden aan een instelling die is gericht op crisisinterventie. Crisisinterventie is echter niet mogelijk in het Avan Mental Health Center. Er zal in ieder geval sprake dienen te zijn van een gesloten afdeling.
9.2.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling [4] dat een advies van het BMA een deskundigenadvies is. Indien en voor zover de minister een BMA-advies, waaronder begrepen de eventueel nadien door het BMA uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing, als de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich er ingevolge artikel 3:2 van Pro de Awb van heeft vergewist dat dit BMA-advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is [5] .
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het BMA-advies voldoende inzichtelijk en concludent is en dat hij het bestreden besluit daarop heeft mogen baseren. De minister wijst er daarbij terecht op dat het BMA-advies is gebaseerd op de informatie die eiser aan de adviseur van het BMA heeft verstrekt, zodat moet worden aangenomen dat de adviseur alle door eiser verstrekte informatie heeft betrokken bij de totstandkoming van het BMA-advies. Voorts heeft eiser niet met medische stukken of een contra-expertise onderbouwd dat deze conclusies in het BMA-advies onjuist zijn of dat de medische situatie van eiser is gewijzigd.
9.4.
Anders dan eiser meent geeft het BMA-advies geen aanleiding voor het oordeel dat eiser fysiek overgedragen dient te worden aan een instelling die is gericht op crisisinterventie. Het BMA heeft immers geconcludeerd dat enkel een fysieke overdracht aan een psychiater noodzakelijk wordt geacht. Nu er klinische en poliklinische behandeling door een psychiater beschikbaar is in het Avan Mental Health Center te Yerevan is de conclusie van de adviseur dat de behandeling voldoende is om een medische noodsituatie binnen een termijn van drie tot zes maanden te voorkomen voldoende inzichtelijk en concludent. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Kan eiser bij terugkeer naar Armenië feitelijke toegang krijgen tot de noodzakelijke behandeling?
10.1
Eiser voert in beroep aan dat hij bij terugkeer naar Armenië geen feitelijke toegang zal krijgen tot de noodzakelijk behandeling. Eiser verblijft vanaf zijn vijftiende in Nederland. Nu is hij eenendertig jaar oud en bij terugkeer zal hij worden beschouwd als iemand die zich aan de dienstplicht heeft onttrokken. In beroep heeft eiser verwezen naar het thematisch ambtsbericht over militaire dienst en mobilisatie in Armenië van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 januari 2023 (hierna: het Ambtsbericht). Eiser geeft aan dat de in 2021 aangenomen Amnestiewet tot gevolg heeft dat hij in dienst zal moeten en dat hij niet de noodzakelijke behandeling kan krijgen bij terugkeer. Hij ziet niet dat hij met zijn huidige diagnose en noodzakelijke behandeling 2,5 jaar zou kunnen dienen. Hij heeft ook geen geld om de afkoopsom op te brengen. Als eiser niet in dienst gaat dan wel geen afkoopbedrag betaalt zal hij worden vervolgd en hangt hem een gevangenisstraf van vijf jaar boven het hoofd. Eiser wijst op een brief van een Armeense advocaat van 19 mei 2025 die bevestigt dat de Amnestiewet op eiser van toepassing is en dat eiser zal worden vervolgd en hem een gevangenisstraf boven het hoofd hangt. In dit verband wijst eiser ook op twee artikelen van een Armeense nieuwssite.
10.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen [6] volgt uit het arrest Paposhvili [7] dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij door zijn gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM Pro loopt en dat de noodzakelijke medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat hij persoonlijk geen toegang zal kunnen krijgen tot de benodigde zorg.
10.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister zich - primair - op het standpunt gesteld dat de stelling ten aanzien van de Amnestiewet pas in beroep is betrokken. Daarom kan de stelling volgens de minister niet bij de beoordeling van het besluit worden betrokken. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de brief van de advocaat waar eiser naar verwijst te algemeen van aard is en hieruit niet blijkt dat eiser vanwege het vervullen van de militaire dienstplicht geen toegang zal krijgen tot de medische zorg. Daarnaast heeft eiser volgens de minister met verwijzing naar het ambtsbericht en de artikelen van de nieuwssite niet onderbouwd dat hij persoonlijk aan de militaire dienstplicht zal worden onderworpen.
10.4.
De rechtbank betrekt hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de Amnestiewet in de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat het ziet op de onderbouwing van het eerder ingenomen standpunt, namelijk dat de zorg voor eiser niet toegankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser ingebrachte informatie niet blijkt dat iedere dienstweigeraar wordt vervolgd. Uit het Ambtsbericht blijkt dat voor ontduiking van de militaire dienstplicht en het niet gehoor geven aan mobilisatie een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar kan worden opgelegd. In geval van oorlog of een gewapend conflict wordt de strafbedreiging verhoogd naar zes tot twaalf jaar. Uit hetzelfde ambtsbericht blijkt echter ook dat in Armenië veel strafzaken van dienstweigeraars zijn gesloten zonder dat tot strafvervolging over is gegaan en dat er geen voorbeelden bekend zijn van strafoplegging als gevolg van weigering van de militaire dienstplicht in Armenië. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet iedere dienstweigeraar wordt vervolgden dat onvoldoende aannemelijk is dat de zorg voor eiser feitelijk niet toegankelijk is. Ook heeft de minister terecht opgemerkt dat uit de brief van de advocaat niet blijkt dat eiser persoonlijk zal worden vervolgd vanwege het niet vervullen van de dienstplicht. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende aannemelijk is dat de zorg voor eiser feitelijk niet toegankelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
11.1.
Voorts heeft eiser aangevoerd dat de basisvoorzieningen in Armenië zeer slecht zijn. Medicijnen worden niet kosteloos verstrekt en eiser heeft ook geen mensen op wie hij (financieel) kan terugvallen. Eiser heeft in dit verband verwezen naar het arrest Paposhvili. In het rapport wordt uitgegaan van overdracht aan een behandelaar in Yerevan. Dit betekent dat eiser hogere (reis)kosten dient te maken die hij wegens gebrek aan inkomsten niet
kan betalen.
11.2.
Uit het arrest Paposhvili volgt dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten zijn van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken.
11.3.
.Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd
.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Armenië voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Met betrekking tot de stelling
dat eiser niet over voldoende financiële middelen beschikt om de benodigde zorg in Armenië te kunnen bekostigen, wordt overwogen dat eiser zijn gestelde financiële situatie niet heeft onderbouwd met stukken, waardoor hierin geen inzicht is verkregen. Verder is niet onderbouwd hoe hoog de kosten van de benodigde medische behandeling in Armenië zullen zijn, en evenmin dat er geen familieleden of derden zijn die eiser kunnen helpen met de bekostiging van de ziektekosten. De enkele stelling dat eiser geen banden heeft met (mensen in) Armenië, hij geen beroep kan doen op de Armeense autoriteiten en het voor hem niet mogelijk is om in Armenië een zorgverzekering te regelen, zijn onvoldoende.
Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de daadwerkelijke kosten van de volgens het BMA in Armenië aanwezige behandelingsmogelijkheden in de weg staan aan feitelijke toegang tot deze behandeling. De rechtbank is van oordeel dat de voor eiser noodzakelijke medische zorg beschikbaar is in Armenië en dat hierover op dit moment geen serieuze twijfel bestaat. Daarvoor is relevant dat de minister in het bestreden besluit concreet heeft gemaakt in welke instelling eiser de noodzakelijke medische zorg kan verkrijgen, hij heeft toegezegd de medische overdracht te regelen en hij heeft toegezegd dat de uitzetting niet doorgaat als blijkt dat de medische overdracht niet mogelijk is. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
11.4.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat eiser geen toegang heeft tot de noodzakelijke zorg. Het is dan ook niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Bureau Medische Advisering
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
5.Zie uitspraken van de Afdeling van 13 oktober 2010 ECLI:NL:RVS:2010:BO0794 en van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1647.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2018:571.
7.ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUDO04173810.