ECLI:NL:RBDHA:2025:11338
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie heeft op 13 juni 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 behandeld waarbij eiser en de minister zich lieten vertegenwoordigen.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, met name omdat het vertrekgesprek en het terugnameverzoek pas op de zesde dag na inbewaringstelling plaatsvonden. De rechtbank oordeelde dat dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoende voortvarend is. Ook het verzoek aan het Openbaar Ministerie op dag drie werd als vertrekhandeling aangemerkt.
De rechtbank vond geen aanleiding om af te wijken van deze lijn en concludeerde dat de minister aan de rechtmatigheidsvoorwaarden had voldaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.