Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 25 november 2023 ontvangen, waarna de minister de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde de minister op 26 maart 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8- wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een gehoor afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier R.C. Gürel op 20 juni 2025. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.