Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:10842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
SGR 24/5780
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 RWNRijkswet op het NederlanderschapHandvest van de grondrechten van de Europese UnieECLI:EU:C:2019:189ECLI:NL:RVS:2020:423
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bevestiging optieverklaring Nederlanderschap wegens evenredigheid verlies nationaliteit

Eiseres, geboren in 1981 met de Turkse nationaliteit, verloor volgens de minister op 20 april 2019 haar Nederlandse nationaliteit vanwege langdurig verblijf buiten Nederland en de EU, zonder verlenging van de termijn. Zij had op 23 januari 2023 een optieverklaring ingediend om het Nederlanderschap te verkrijgen, welke werd geweigerd.

Eiseres voerde aan dat de minister ten onrechte de oude tienjaarstermijn toepaste in plaats van de nieuwe dertienjaarstermijn en dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen had volgens het Unierecht, onder meer vanwege familieomstandigheden en het belang van haar minderjarige zoon.

De rechtbank oordeelt dat de procedure zich beperkt tot de toetsing van de evenredigheid van het verlies van het Nederlanderschap vanuit het Unierecht. De rechtbank volgt het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en concludeert dat de gevolgen voor eiseres op het moment van het verlies hypothetisch waren en dat zij geen concreet plan had om haar Unierechten uit te oefenen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het besluit van de minister. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.L.D. Timmermans op 12 juni 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J.L.K. Hu en mr. L.H.T. Geuzendam).

Inleiding

1. Met het besluit van 20 november 2023 heeft verweerder geweigerd de door eiseres bij het Nederlandse consulaat in Istanbul afgelegde verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap (hierna: optieverklaring) te bevestigen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het beroep van eiseres richt zich hiertegen.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Raissi, als waarnemer en kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Turkse nationaliteit. De ouders van eiseres zijn van Turkse komaf en hebben in 1996 de Nederlandse nationaliteit verkregen door naturalisatie. Eiseres is toen ook genaturaliseerd. In 2002 is eiseres getrouwd en verhuisd naar Turkije. Sinds 2003 staat eiseres niet meer ingeschreven in Nederland. Op 20 april 2009 heeft zij voor het laatst een Nederlands reisdocument verkregen. Op 23 januari 2023 heeft eiseres met de optieverklaring verklaard de Nederlandse nationaliteit te willen verkrijgen. De verklaring is mede ingediend voor haar minderjarige zoon.
3. Verweerder heeft geweigerd de optieverklaring te bevestigen. Uit de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) volgt dat een Nederlander automatisch zijn nationaliteit verliest als hij als meerderjarige meer dan tien jaar ononderbroken buiten het Koninkrijk of de landen van de Europese Unie woont en deze gehele periode ook in het bezit is van een andere nationaliteit. [1] De tienjaarstermijn wordt onderbroken wanneer iemand binnen deze periode een Nederlands reisdocument of een verklaring bezit Nederlanderschap verstrekt heeft gekregen. Omdat eiseres op 20 april 2009 voor het laatst een Nederlands reisdocument heeft verkregen, heeft zij volgens verweerder op 20 april 2019 het Nederlanderschap verloren. Verweerder heeft naar aanleiding van de optieverklaring van eiseres beoordeeld of het verlies van het Nederlanderschap op 20 april 2019 voor eiseres onevenredige gevolgen had vanuit het oogpunt van het Unierecht. Op basis van het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft verweerder geconcludeerd dat het verlies niet onevenredig was.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij op 20 april 2019 van rechtswege het Nederlanderschap is verloren. Per 1 april 2022 is de RWN gewijzigd en is de tienjaarstermijn verlengd naar dertien jaar. Verweerder had daarom de dertienjaarstermijn moeten toepassen. Subsidiair stelt eiseres dat het verlies van haar Nederlanderschap onevenredige gevolgen heeft vanuit het oogpunt van het Unierecht. Als gevolg van het verlies van het Nederlanderschap is voor het eiseres moeilijk om haar familie in Nederland te bezoeken. Haar vader verblijft momenteel in een verzorgingstehuis en zijn gezondheid laat het niet toe om eiseres te bezoeken. Ten tijde van het verlies van haar Nederlanderschap, was het al voorzienbaar dat eiseres haar Unierechten zou gaan uitoefenen. Daarnaast is er geen aanwijsbaar belang voor Nederland bij het verlies van het Nederlanderschap door eiseres. Het verlies van het Nederlanderschap heeft ook onevenredige gevolgen voor de zoon van eiseres, die hierdoor niet naar Nederland kan reizen om de band met zijn familie op te bouwen en te onderhouden. Tot slot heeft verweerder de voorlichtingsplicht geschonden. Eiseres is nooit geïnformeerd over de mogelijkheid dat zij haar Nederlandse nationaliteit kon verliezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder heeft kunnen weigeren om de optieverklaring te bevestigen en het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond heeft kunnen verklaren. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verlies van het Nederlanderschap van rechtswege
6. In deze beroepsprocedure beoordeelt de rechtbank of verweerder de bevestiging van de optieverklaring van eiseres mocht weigeren. Eiseres heeft op basis van artikel 6, eerste lid, onder p, van de RWN een optieverklaring afgelegd. Daarbij heeft zij onder meer verklaard het Nederlanderschap van rechtswege te zijn verloren. De vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres het Nederlanderschap van rechtswege is verloren, maakt daardoor geen onderdeel uit van deze procedure. In deze procedure gaat het alleen om de vraag of verweerder heeft kunnen concluderen dat het verlies van het Nederlanderschap geen onevenredige gevolgen had voor eiseres vanuit oogpunt van het Unierecht. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de beroepsgronden die zien op het verlies van het Nederlanderschap en de voorlichtingsplicht, maar alleen op de beroepsgronden die zien op de evenredigheid.
Onevenredige gevolgen vanuit het oogpunt van het Unierecht
7. In het Tjebbes-arrest [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) geoordeeld dat een lidstaat bevoegd is om de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit te bepalen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid mag een lidstaat ervan uitgaan dat de nationaliteit een uitdrukking vormt van een effectieve band tussen hem en zijn onderdanen. Aan het ontbreken of eindigen van een dergelijke effectieve band mag hij het verlies van zijn nationaliteit verbinden. De tienjaarstermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN (zoals die gold tot 1 april 2022) kan worden geacht het ontbreken van die effectieve band tot uitdrukking te brengen. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht er in beginsel niet aan in de weg staat dat een lidstaat in deze situatie om redenen van algemeen belang voorziet in het verlies van zijn nationaliteit, ook als dit leidt tot het verlies van het Unieburgerschap. Wel moet het mogelijk zijn om achteraf de evenredigheid van het verlies te toetsen in het licht van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten.
Voor een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel is vereist dat de betrokkene gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen. Het Hof wijst in dit verband onder meer op de volgende relevante aspecten: de door het Handvest [3] gewaarborgde rechten, waaronder het recht op eerbiediging van het familie en gezinsleven (punt 45 van het Tjebbes-arrest), de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten en de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten (punt 46), en het (ook wat betreft de minderjarige relevante) in artikel 24 van Pro het Handvest erkende belang van het kind.
7.1.
De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het moment van het verlies van het Nederlanderschap moet dienen als toetsingsmoment voor de evenredigheid. [4] Niet alleen de gevolgen die zich op dat moment reeds hebben voorgedaan moeten bij de toetsing betrokken worden, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Hypothetische gevolgen hoeven hierbij niet betrokken te worden. Het is aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij haar met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen zou gaan uitoefenen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het advies van de IND aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen en de IND is op alle door eiseres aangevoerde aspecten ingegaan. Verweerder heeft op basis van dit advies terecht geconcludeerd dat eiseres op het moment dat zij haar Nederlanderschap verloor geen gebruikmaakte van haar Unierechten. Met betrekking tot de gevolgen voor het familie- en gezinsleven van eiseres, heeft verweerder kunnen stellen dat deze hypothetisch waren. Eiseres was op dat moment geruime tijd niet naar Nederland gereisd en zag haar familie in Singapore of in Turkije. Zij heeft niet geconcretiseerd dat zij plannen zou hebben om haar familie in Nederland te bezoeken. De omstandigheid dat de vader van eiseres inmiddels vanwege zijn gezondheid in een verzorgingstehuis verblijft en niet kan reizen, was op 20 april 2019 ook niet voorzienbaar. Dat eiseres in 2020 een poging zou hebben gedaan om een nieuw Nederlands paspoort aan te vragen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Nog daargelaten dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, zou deze poging hebben plaatsgevonden na het toetsingsmoment.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) die geldig was tot 1 april 2022.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, r.o. 11.2.