Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister had de aanvraag ontvangen op 15 september 2023 en had de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/3 met negen maanden verlengd. Eiser stelde de minister op 23 april 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, past de rechtbank het 8+8-wekenmodel toe: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €453,50 aan eiser vanwege de inschakeling van juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 10 juni 2025.