ECLI:NL:RBDHA:2025:10500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL24.42693
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming na afwijzing asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd een terugkeerbesluit opgelegd en werd geen uitstel van vertrek om medische redenen verleend.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien niet meer is verschenen. De gemachtigde van eiser kon geen contact meer krijgen met eiser na deze vertrekmelding.

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent het vertrek met onbekende bestemming dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens te beschermen belang bij de behandeling van het beroep.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier L.M. Kalkman op 28 mei 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42693
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts is besloten dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 31 oktober 2024 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In zijn brief van 19 november 2024 heeft de minister naar voren gebracht dat eiser op 13 november 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank daarop op 6 december 2024 laten weten dat hij daarmee niet bekend was en nog niet zo lang geleden contact met hem heeft gehad over de beroepsprocedure. Ook liet hij weten dat hij, naar aanleiding van de MOB-melding, heeft getracht in contact te komen met eiser, maar dat dit niet meer lukt.
3. Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat eiser op 13 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en hierna niet meer is verschenen.
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer van 1 juli 20242, blijkt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep, aldus de ABRvS.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 mei 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.