ECLI:NL:RBDHA:2025:10021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL24.18001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vw2000Art. 62 Vw2000Art. 6.5 Vb2000Art. 8 EVRMArt. 24 Vo (EU) 2018/1861
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens onvoldoende actuele bedreiging openbare orde

Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens het dragen van een vuurwapen en roekeloos gedrag met dodelijke afloop. De minister legde daarop een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod van tien jaar op. De rechtbank behandelde het beroep op 18 maart 2025 en concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.

De rechtbank weegt mee dat het strafbare feit bijna drie jaar geleden plaatsvond, dat eiser spijt betuigt, contact heeft gezocht met nabestaanden en psychologische hulp ontvangt. Het vonnis van de strafrechter wijst op roekeloosheid zonder opzet en een laag recidiverisico. De minister baseert haar standpunt op het feit dat eiser na het misdrijf terugkeerde naar België en onvoldoende normbesef zou tonen, maar dit is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Gelet op de jurisprudentie vereist een inreisverbod van tien jaar een actuele, ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving schaadt. De rechtbank oordeelt dat dit niet is aangetoond en vernietigt het besluit. De overige beroepsgronden blijven onbesproken. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het tienjarige inreisverbod worden vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde actuele bedreiging voor de openbare orde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18001

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp)
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een terugkeerbesluit en van een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar.
2. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Voorgeschiedenis en totstandkoming besluit
3. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij is op twaalfjarige leeftijd naar Nederland gekomen en had hier tot 2003 een verblijfsrecht. Tussen 2006 en 2008 is eiser teruggekeerd naar Suriname. Nadien heeft eiser in België een duurzaam EU-verblijfsrecht verkregen. Op 5 augustus 2021 is eiser op verzoek van de Nederlandse autoriteiten door de Belgische autoriteiten overgedragen omdat eiser in Nederland strafrechtelijk werd vervolgd. Op 30 augustus 2023 hebben de Belgische autoriteiten laten weten dat eiser, omdat hij sinds 5 augustus 2021 meer dan twee jaar buiten België verblijft, zijn verblijfsrecht in België heeft verloren.
4. Bij strafvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, van 20 december 2022 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en het betalen van een reeks schadevergoedingen, omdat hij zich op 1 augustus 2021 schuldig heeft gemaakt aan het dragen van een vuurwapen en aan roekeloos gedrag waardoor iemand is overleden. Voorts is eiser in het verleden schuldig bevonden aan diefstal, verduistering en het doen van valse aangifte.
5. Op 13 september 2023 heeft de Vreemdelingenpolitie Amsterdam het voorstel gedaan om aan eiser een zwaar inreisverbod op te leggen.
6. Bij het bestreden besluit van 17 april 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij eiser is aangezegd dat hij het grondgebied van de Europese Unie (behalve Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland meteen moet verlaten. Daarnaast heeft de minister een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren. Voorts heeft de minister een besluit genomen tot signalering in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861. De minister heeft vermeld dat het terugkeerbesluit wordt gesignaleerd in het Schengen-Informatiesysteem (SIS) en dat, indien het vertrek van eiser bij de IND bekend is, de signalering van het terugkeerbesluit vervalt en vervolgens het inreisverbod in het SIS wordt gesignaleerd.
7. Op 11 maart 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen waarin de minister het standpunt heeft ingenomen dat, in de in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM te verrichten belangenafweging, aan het belang van de Nederlandse Staat het grootste gewicht toekomt, omdat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt en de Nederlandse samenleving er een zwaarwegend belang bij heeft om hem te weren. De omstandigheid dat eiser in België een gezin heeft en in Nederland familie heeft wonen, is door de minister in de belangenafweging betrokken, maar gezien het belang van de openbare orde is de omstandigheid dat het inreisverbod er (mede) toe leidt dat het gezinsleven in België en het contact met de familie in Nederland moet worden aangepast gerechtvaardigd. Daarbij is de omstandigheid dat eiser zich niet bij zijn familie in België kan voegen terug te voeren op het verlies van zijn verblijfsrecht daar. Mocht België eiser weer toelaten, zal het inreisverbod vervallen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt het opleggen van het zware inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Actueel en ernstig gevaar voor de openbare orde
10. Volgens eiser is er geen sprake van een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde. De minister heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de persoon van eiser en het feit dat het gaat om een culpoos delict. In het vonnis van de strafrechter wordt namelijk ook aangegeven dat eiser het feit per ongeluk heeft gepleegd, dat hij zichtbaar geëmotioneerd was tegenover de nabestaanden, dat hij spijt heeft betuigd en dat hij hulp krijgt van een psycholoog om hetgeen gebeurd is te verwerken. Tevens ziet de strafrechter geen hoog recidiverisico en daarom geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De strafrechter verwacht dus niet dat eiser opnieuw in de fout zal gaan. Voorts is er geen sprake van dat eiser, zoals de minister stelt, zijn eigen verantwoordelijkheid ontkent of bagatelliseert. Hij heeft spijt betuigd en heeft contact gezocht met de nabestaanden. Behalve dat de strafrechter de kans op recidive klein achtte, heeft het misdrijf inmiddels bijna drie jaar geleden plaatsgevonden. Gezien dit grote tijdsverloop kan er ook niet meer gesproken worden van een actuele dreiging. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2019 [2] waarin wordt geoordeeld dat, ondanks dat het gaat om een ernstig delict, het gevaar niet altijd actueel blijft. Daarnaast blijkt uit de overgelegde verklaringen van de familieleden van eisers positieve eigenschappen die dienen te worden meegewogen.
11. De minister stelt zich op het standpunt dat, nu eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar voor het dragen van een vuurwapen en roekeloos gedrag wat de dood van iemand tot gevolg heeft gehad, er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde en veiligheid. Ter onderbouwing heeft de minister erop gewezen dat eiser na het plegen van het misdrijf is teruggekeerd naar België. Dat wijst op een poging om aan vervolging te ontkomen. Ook relevant is volgens de minister dat eiser in detentie niet heeft kunnen laten zien dat hij zijn leven gebeterd heeft. De minister zegt geen aanwijzingen te hebben dat het normbesef van eiser nu zodanig is gewijzigd dat voor een nieuw misdrijf niet meer hoeft te worden gevreesd. Het feit dat eiser een wapen bij zich had en zelfs ter hand heeft genomen op een drukbezocht feest, duidt volgens haar op een roekeloosheid die door eiser niet zomaar overwonnen zal worden en waarvan daarom een substantieel gevaar blijft uitgaan.
12. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [3] 2000 in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit artikel 6.5, vijfde lid, onder b, van het Vb [4] 2000 volgt dat dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid.
12.1.
Uit de uitspraken van de Afdeling [5] van 20 november 2015 [6] , van 2 juni 2016 [7] en van 4 juli 2017 [8] in samenhang met het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O. [9] , volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister dient bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit. Indien een vreemdeling voorafgaand aan een terugkeerbesluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet de minister aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een andere oordeel leiden.
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eisers persoonlijke gedrag een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit omdat zij onvoldoende heeft gemotiveerd dat het roekeloze gedrag dat eiser op het moment van het misdrijf vertoonde nu nog een actuele bedreiging vormt.
12.3.
Bij de beoordeling of er sprake is een actuele bedreiging zal de minister zich niet alleen mogen baseren op het strafbare feit waarvoor eiser veroordeeld is. Dat neemt niet weg dat het vonnis van de strafrechter wel belangrijk is. Dat bevat namelijk veel informatie bevat over wat er is gebeurd, voor welk handelen eiser is veroordeeld, de persoonlijke omstandigheden, wat eisers houding was ten aanzien van het delict waarvan hij werd verdacht en in hoeverre er sprake is van recidive of recidivegevaar.
12.4.
In dit geval is vastgesteld dat eiser zich op 1 augustus 2021 bevond in een zaal waar een feest gaande was. Er waren veel mensen in de zaal en er waren opstootjes. Eiser liep met een kruk en is zich met een opstootje gaan bemoeien. Op dat moment droeg hij een vuurwapen in zijn broeksband. Het vuurwapen is op enig moment afgegaan, terwijl eiser het vuurwapen in zijn hand had. Er zijn twee schoten gelost, waarbij één schot het slachtoffer fataal heeft getroffen. Onduidelijk blijft hoe eiser aan het wapen is gekomen, of hij wist dat het doorgeladen was en of eiser het wapen bewust uit zijn broeksband heeft gehaald. De strafrechter vindt dat er onvoldoende overtuigend bewijs is voor het gericht schieten door eiser. Van vol opzet of voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer is volgens de strafrechter geen sprake. Wel is er sprake van de zwaarste vorm van schuld, roekeloosheid. Bij de strafoplegging heeft de strafrechter overwogen dat er geen hoog recidiverisico bestaat en dat eiser tijdens het spreekrecht van de nabestaanden geëmotioneerd was, dat hij spijt heeft betuigd en dat hij verklaard heeft gesprekken met een psycholoog te voeren om het gebeurde te verwerken.
12.5.
Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit. De minister stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is van een gewijzigd normbesef bij eiser en dat er dus een risico bestaat op herhaling. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet zonder meer uit het vonnis van de strafrechter. Eiser lijkt zich –gelet op de motivering in het vonnis - bewust van het leed dat hij heeft aangericht en van het feit dat dit nooit meer mag gebeuren. Dit wordt ondersteund door de spijtbetuigingen, het feit dat eiser contact heeft gezocht en gehad met de nabestaanden van het slachtoffer en het feit dat eiser psychologische begeleiding heeft. Het standpunt van de minister dat de in de strafzaak door eiser afgelegde verklaring dat hij per ongeluk heeft geschoten erop wijst dat eiser zijn daad bagatelliseert is eveneens een standpunt dat niet gedragen wordt door het vonnis. Ook overigens is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om dit bagatelliseren door eiser te veronderstellen. De verwijzing naar het gedrag van eiser na het misdrijf – het teruggaan naar België waar hij woonde - onderbouwt de actuele bedreiging naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende. Zoals verweerder terecht stelt heeft eiser nog niet als vrij man laten zien dat hij zijn leven heeft gebeterd, maar dat alleen kan de conclusie dat van een actueel en dreigend gevaar sprake is niet dragen. Nu de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actueel en dreigend gevaar vormt voor de openbare orde bevat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dat betekent ook dat de rechtbank de overige beroepsgronden onbesproken zal laten.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.Vreemdelingenwet.
4.Vreemdelingenbesluit.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.ECLI:EU:C:2015:377.