Eiser, wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon met een taalontwikkelingsstoornis, autismespectrumstoornis en lichte verstandelijke beperking, had een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd voor jeugdhulp in de periode van 1 september tot 31 december 2020. Na aanvankelijke afwijzing werd het pgb toegekend, maar met de voorwaarde dat betaling aan de zorgverlener via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) moest verlopen.
Eiser maakte bezwaar tegen deze voorwaarde, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelt dat het college niet bevoegd was om op het bezwaar te beslissen en dat het bezwaar als aanvullende beroepsgrond bij het lopende beroep had moeten worden behandeld. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond verklaard en het besluit van 20 april 2022 wordt vernietigd.
De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en proceskosten van € 1.750,-. Een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat een eerdere zaak met samenhangende feiten reeds een vergoeding toekende.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 20 juni 2024.