Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Syrische nationaliteit, werd op 28 mei 2024 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd op 4 juni 2024 opgeheven. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege een gebrek in het voortraject, met name de functienaam van de BOA die de staandehouding verrichtte.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding door een bevoegd ambtenaar was verricht, namelijk een beveiliger transport die volgens het geldende besluit een buitengewoon opsporingsambtenaar is. Het aangevoerde gebrek, gebaseerd op een eerdere uitspraak over een inmiddels afgeschafte functiebenaming, was hier niet van toepassing.
Verweerder had voldoende zware en lichte gronden voor de bewaring, waaronder een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht. Eiser betwistte deze gronden niet. De ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig was geweest.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.