ECLI:NL:RBDHA:2024:9540
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na verbreking gezinsband en afwijzing wijziging verblijfsdoel
Eiser, van Kaapverdische nationaliteit, kreeg in 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Na formele ontbinding van het huwelijk en melding van de verbreking van de gezinsband door de partner, trok de staatssecretaris de vergunning in en wees een aanvraag tot wijziging naar humanitair niet-tijdelijk verblijf af.
Eiser voerde aan dat de intrekking onzorgvuldig was omdat geen voornemen was uitgebracht en dat de informatieplicht niet aan hem kon worden tegengeworpen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht kon afzien van het uitbrengen van een voornemen omdat de informatieplicht op eiser rustte en de partner ook meldplicht had.
Verder stelde eiser dat de omstandigheden waaronder hij zou terugkeren naar Kaapverdië zodanig waren dat een verblijfsvergunning op humanitaire gronden had moeten worden verleend. De rechtbank vond dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om tot een verblijfsvergunning te leiden, mede omdat eiser bekend is met de taal en cultuur in Kaapverdië, medische voorzieningen beschikbaar zijn en er geen aannemelijk gevaar is.
De belangenafweging bracht mee dat het belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog dan de persoonlijke omstandigheden van eiser. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de wijziging van het verblijfsdoel is ongegrond verklaard.