ECLI:NL:RBDHA:2024:9160
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek uitstel van vertrek op grond van Dublinverordening wegens ontbreken relevante medische wijzigingen
Eiser, een Syrische asielzoeker, verzocht om uitstel van vertrek naar Bulgarije op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, nadat zijn aanvraag om een asielvergunning niet in behandeling werd genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zou leiden. De rechtbank overwoog dat het bij een overdracht op grond van de Dublinverordening slechts gaat om de vraag of de vreemdeling kan reizen, niet om de beschikbaarheid van medische zorg in het land van overdracht.
Eiser stelde dat verweerder essentiële medische informatie na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak niet had meegewogen en dat het gebruikte Bureau Medische Advisering (BMA) advies verouderd was. De rechtbank oordeelde echter dat de nieuwe medische verklaringen geen relevante veranderingen in de gezondheidstoestand van eiser aantonen die een ander oordeel rechtvaardigen. De houdbaarheidstermijn van het BMA-advies werd als indicatief gezien en verlengd zolang de medische situatie niet veranderde.
De rechtbank concludeerde dat nog steeds aan de voorwaarden uit het C.K.-arrest wordt voldaan en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.