ECLI:NL:RBDHA:2024:8984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2024
Publicatiedatum
11 juni 2024
Zaaknummer
NL24.14646
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening vreemdeling niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit uitgevaardigd aan verzoeker, die hiertegen op 4 april 2024 beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht om het procesbelang te verduidelijken, maar hierop is niet gereageerd.

Eerder, op 10 april 2024, had een andere gemachtigde een soortgelijk verzoek om voorlopige voorziening ingediend en was dit reeds toegewezen, waarbij verzoeker werd behandeld als vreemdeling onder Richtlijn 2001/55/EG. De voorzieningenrechter achtte het onduidelijk waarom een tweede verzoek werd ingediend en welk belang daarbij gediend werd.

Gezien het ontbreken van enig procesbelang en het uitblijven van een reactie op het verzoek om opheldering, verklaarde de voorzieningenrechter het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14646

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. De staatssecretaris heeft op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit aan verzoeker
uitgevaardigd. Verzoeker heeft op 4 april 2024 tegen dit besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 12 april 2024 verzocht haar per ommegaande te informeren over zijn belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of verzoeker nog procesbelang heeft bij zijn verzoek.
3. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak 10 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5031) een soortgelijk verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, hangende het beroep ingediend door een andere gemachtigde op 19 maart 2024, reeds toegewezen. Daarbij is bepaald dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist. Hierdoor rijst bij de voorzieningenrechter de vraag waarom er door een andere gemachtigde nogmaals op 4 april 2024 een dergelijk verzoek is ingediend en welk belang hierbij nog is gediend. Ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe, heeft verzoeker niet kenbaar gemaakt waarom hij momenteel nog een procesbelang heeft bij zijn verzoek. In een procedure als deze, waarin de betrokkene stelt dat er sprake is van een spoedeisend belang en om die reden van de rechtbank een snel (voorlopig) oordeel wil, mag ook van hem worden gevergd dat hij reageert op vragen van de rechtbank. Nu er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet is gebleken van enig procesbelang, zal zij het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaren.
4. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.