Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
De voortvarendheid
Ambtshalve toetsing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Myanmarese vreemdeling, werd op 8 maart 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld op basis van artikel 59b lid 1 onder b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwistte de rechtmatigheid van deze maatregel en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 15 april 2024 werd het beroep behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De staatssecretaris gaf de grondslag onder lid 1 onder c prijs, zodat de beoordeling zich beperkte tot lid 1 onder b.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het verkrijgen van gegevens voor de asielbeoordeling. De zware gronden onder 3a (illegale inreis met vals visum) en 3c (niet-naleving terugkeerbesluit naar Pakistan) waren feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser had zich niet gehouden aan vertrekverplichtingen en er was een reëel risico op onttrekking.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in uitzettingsmaatregelen en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat voortvarendheid niet vereist is voor bewaring en dat het risico op onttrekking voldoende was onderbouwd. Ook medische omstandigheden van eiser rechtvaardigden geen lichter middel.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring tot het moment van zitting rechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de bewaring rechtmatig was.