ECLI:NL:RBDHA:2024:8856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
7 juni 2024
Zaaknummer
NL24.22202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens niet-naleving kennisgevingsplicht staatssecretaris

De staatssecretaris heeft op 13 mei 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser. Eiser stelde hiertegen beroep in op 20 mei 2024, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 28 mei 2024.

Eiser stelde dat de staatssecretaris de maatregel van bewaring niet tijdig aan de rechtbank had gemeld, terwijl dit op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht is. De staatssecretaris erkende het ontbreken van de kennisgeving, maar stelde dat dit niet tot onrechtmatigheid leidde omdat het beroep binnen de termijn werd behandeld.

De rechtbank oordeelde dat de kennisgevingsplicht dient ter waarborging van rechtszekerheid en rechtsbescherming en dat het niet tijdig verzenden van de kennisgeving de maatregel onrechtmatig maakt vanaf de dag na de uiterste verzenddatum. Omdat de kennisgeving niet was verzonden en het beroep pas na de termijn werd ingesteld, was de maatregel vanaf 17 mei 2024 onrechtmatig.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, beval de opheffing van de maatregel per 3 juni 2024, kende een schadevergoeding toe van €1.800,- voor 18 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van €1.750,-.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard wegens het niet tijdig verzenden van kennisgeving, het bestreden besluit is vernietigd en een schadevergoeding van €1.800,- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22202

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: [naam gemachtigde]).

Inleiding

1. Bij besluit van 13 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld op 20 mei 2024. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had de staatssecretaris een kennisgeving moeten verzenden?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris de inbewaringstelling van eiser ten onrechte niet heeft gemeld bij de rechtbank. De maatregel van bewaring was weliswaar al omgezet voor de 28 dagen termijn was overschreden, maar toch heeft de staatssecretaris zijn kennisgevingsplicht hiermee geschonden. Tegen deze maatregel was namelijk op het moment van het verstrijken van deze termijn geen beroep ingesteld.
4.1.
De staatssecretaris erkent dat er geen kennisgeving is verzonden. Dit maakt echter volgens de staatssecretaris niet dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Een kennisgeving had uiterlijk op 16 mei 2024 moeten zijn verzonden (28 dagen na de oplegging van de eerdere maatregel op 18 april 2024) en de zaak had vervolgens binnen twee weken op zitting moeten worden behandeld, dat zou dan uiterlijk op 30 mei 2024 zijn. In dit geval is de zaak op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Alhoewel er dus geen kennisgeving is verzonden, is eiser niet in zijn belangen geschaad omdat het beroep binnen de termijn is behandeld door een rechter, aldus de staatssecretaris.
4.2.
Op de staatssecretaris rust een verplichting op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 om de rechtbank van de bewaring in kennis te stellen. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. De bepaling strekt ertoe te verzekeren dat, ingeval de vreemdeling zelf geen beroep indient tegen een maatregel van bewaring, dit besluit alsnog, uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking daarvan, ter beoordeling aan de rechtbank wordt voorgelegd en dient ter verzekering van de rechtszekerheid en rechtsbescherming van de vreemdeling
4.3.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van de Afdeling af dat het niet voldoen aan de kennisgevingsplicht de maatregel in het onderhavig geval onrechtmatig maakt. [1] De termijn voor het doen van voornoemde kennisgeving begint op de dag na het besluit tot vrijheidsontneming. [2] Het niet tijdig verzenden van de kennisgeving aan de rechtbank leidt op grond van deze rechtspraak met ingang van de dag volgend op de dag waarop deze had moeten worden verzonden tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. [3]
4.4.
De termijn voor het inzenden van de kennisgeving is in dit geval aangevangen op 19 april 2024 en geëindigd op 16 mei 2024. Niet is gebleken dat de staatssecretaris een kennisgeving aan de rechtbank heeft verzonden. Uit het dossier blijkt daarnaast dat eiser pas op 20 mei 2024 – dus na deze termijn – beroep heeft ingesteld tegen de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Voorgaande houdt in dat de staatssecretaris ten onrechte niet met ingang van 17 mei 2024 de maatregel van bewaring onrechtmatig heeft geacht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was met ingang van 17 mei 2024 onrechtmatig.
5.1.
De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 18 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel 18 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.800,-.
5.2.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 juni 2024;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1508.
2.ABRvS 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4844.
3.ABRvS 25 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6202.