AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring wegens te late kennisgeving
Appellant is op 2 april 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 29 maart 2002. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de kennisgeving van de vrijheidsontnemende maatregel tijdig was gedaan. Volgens artikel 94 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 moet de kennisgeving uiterlijk op de derde dag na het besluit worden gedaan, met inachtneming van de Algemene Termijnenwet die verlengingen bij weekends en feestdagen regelt.
De Raad van State oordeelde dat de kennisgeving uiterlijk op 3 april 2002 had moeten plaatsvinden, maar feitelijk pas op 4 april 2002 is gedaan, waardoor deze te laat was. Dit maakte het besluit tot vrijheidsontneming onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de bewaring opgeheven en de zaak terugverwezen voor behandeling van een verzoek om schadevergoeding. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis en beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens te late kennisgeving.
Uitspraak
200202364/1.
Datum uitspraak: 8 mei 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 18 april 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2002 is appellant met ingang van 2 april 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 april 2002, verzonden op 22 april 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, stelt de Minister van Justitie uiterlijk op de derde dag na bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
Ingevolge artikel 2 vanPro de Algemene Termijnenwet wordt een in de wet gestelde termijn van tenminste drie dagen, zo nodig zoveel verlengd, dat daarin tenminste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet, voorzover hier van belang, is tweede Paasdag een algemene erkende feestdag in de zin van die wet.
2.2. De enige grief klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 tijdig is gedaan. Daartoe heeft appellant naar voren gebracht dat, gelet op het bepaalde in de Algemene Termijnenwet, de kennisgeving uiterlijk op 3 april 2002 had moeten worden gedaan. Nu de kennisgeving op 4 april is gedaan, was deze te laat.
2.3. Het besluit van 29 maart 2002 is op dezelfde dag aan appellant bekend gemaakt. Derhalve eindigde de in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op 1 april 2002, Tweede Paasdag. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet werd de termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag. Nu de dagen, volgend op 29 maart 2002 een zaterdag, zondag en een algemene erkende feestdag waren, werd de termijn van artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet, gelet op artikel 2 vanPro die wet, met één dag verlengd. De kennisgeving diende derhalve uiterlijk op 3 april 2002 te worden gedaan. Zij is op 4 april 2002 en derhalve te laat gedaan. De grief slaagt.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en de bewaring dient te worden opgeheven. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen ter behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht van 18 april 2002 in zaak nr. AWB AWB 02/25146;
III. beveelt dat de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 ingaande 8 mei 2002 wordt opgeheven;
IV. wijst de zaak naar de rechtbank terug voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding;
V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer) te worden betaald .
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.