ECLI:NL:RBDHA:2024:8770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
NL24.17415
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij onbekende verblijfplaats asielzoeker

Eiser heeft bij besluit van 19 april 2024 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 juni 2024.

De kernvraag was of eiser nog procesbelang had bij zijn beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een vreemdeling zonder bekend verblijfadres vertrekt en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. De gemachtigde van eiser kon niet aangeven waar eiser verblijft, alleen dat hij via VluchtelingenWerk telefonisch contact had en dat eiser ergens in Nederland op straat leeft. Dit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

Eiser was niet aanwezig op de zitting, ondanks dat hij door zijn gemachtigde op de hoogte was gesteld. Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen inhoudelijke beoordeling van het besluit aan de orde geweest en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door onbekende verblijfplaats.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17415

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. Bij besluit van 19 april 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming [3] is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. [4] Dit geldt ook voor een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod. [5]
3.1.
De rechtbank overweegt eerst dat de gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat eiser zich na zijn MOB-melding van 21 mei 2024, niet meer heeft gemeld. De rechtbank stelt verder vast dat de gemachtigde van eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat hij na de MOB-melding, via VluchtelingenWerk telefonisch met eiser heeft gesproken en van VluchtelingenWerk heeft vernomen dat eiser ergens in Nederland op straat leeft. De gemachtigde van eiser heeft echter niet kunnen aangeven waar, in welke gemeente eiser zou verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat de gemachtigde van eiser derhalve niet bekend is met diens verblijfplaats. Blijkens de hiervoor onder 3. genoemde Afdelingsuitspraak van 30 oktober 2023 is het enkel hebben van contact met eiser onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Daar komt bij dat eiser ook niet ter zitting is verschenen, terwijl hij door zijn gemachtigde wel op de hoogte is gebracht over de datum en het tijdstip van de zitting. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en daarom geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en derhalve niet aan de vraag of verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

4. Eiser heeft geen procesbelang meer bij zijn onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL24.17416
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.MOB.
4.Uitspraak van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.