ECLI:NL:RBDHA:2024:8656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
NL23.29159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking tijdelijke beschermingsbesluit

Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van 1 september 2023 waarin de tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG werd beëindigd. Verweerder heeft het bestreden besluit op 19 februari 2024 ingetrokken, maar eiser handhaafde het beroep.

De rechtbank heeft buiten zitting geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang, nu het besluit is ingetrokken en eiser geen belang meer heeft bij voortzetting van het beroep. De rechtbank baseert zich hierbij op artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €875, omdat het beroep op het moment van instellen terecht was. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier N.A. D’Hoore en is geanonimiseerd gepubliceerd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29159

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

In het besluit van 1 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 19 februari 2024 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken.
Eiser heeft desgevraagd meegedeeld dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dat betekent dat de uitkomst op voorhand buiten redelijke twijfel staat. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor gelet op het volgende.
2. Op 21 februari 2024 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd om aan te geven of hij zijn beroep nog wil handhaven gelet op de intrekking van het bestreden besluit. De gemachtigde van eiser heeft in zijn reactie van 6 maart 2024 aangegeven dat hij geen instructie heeft ontvangen van eiser omtrent het al dan niet handhaven van het beroep en dat hij zich niet bevoegd acht om het beroep in te trekken.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij het voortzetten van dit beroep tegen het ingetrokken besluit. [1]
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, volgt dat het beroep op het moment van instellen terecht was. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van
€ 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5415.