ECLI:NL:RBDHA:2024:8641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
NL23.30469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan procesbelang na intrekking tijdelijke bescherming

Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 augustus 2023, waarin het verzoek om tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG werd afgewezen. Tevens werd de asielaanvraag buiten behandeling gesteld, maar dit deel van het besluit is later ingetrokken.

Verweerder heeft het bestreden besluit, voor zover het betrekking had op tijdelijke bescherming, bij brief van 14 maart 2024 ingetrokken. Ondanks dat handhaafde eiser het beroep. De rechtbank beoordeelde het beroep buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb.

De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang, omdat het bestreden besluit was ingetrokken. Dit volgt ook uit eerdere jurisprudentie van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wel veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van €875.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier N.A. D’Hoore en is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na intrekking van het besluit, met veroordeling tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30469

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 30 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG afgewezen. Daarnaast heeft verweerder besloten om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. Voor zover het besluit hierop ziet, alsmede op het daarin opgenomen terugkeerbesluit, heeft verweerder dit deel van het besluit bij schrijven van 22 september 2023 ingetrokken nu eiser nog een asielaanvraag heeft openstaan, waarop moet worden beslist.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het gehele bestreden besluit.
Bij brief van 14 maart 2024 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit, voor zover dit besluit niet was ingetrokken op 22 september 2023 en ziet op de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG, heeft ingetrokken.
Eiser heeft vervolgens meegedeeld dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dat betekent dat de uitkomst op voorhand buiten redelijke twijfel staat. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor gelet op het volgende.
2. Eiser voert aan dat hij nog een belang heeft bij het voortzetten van dit beroep, ondanks dat het gehele bestreden besluit waarop dit beroep betrekking heeft door verweerder is ingetrokken. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft echter in de uitspraak van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5415, al geoordeeld dat dit niet kan worden gevolgd.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, volgt dat het beroep op het moment van instellen terecht was. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van
€ 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.