Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser, en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
dusonttrekken en zullen onttrekken aan het toezicht en dit ook betekent dat zij in bewaring mogen worden gesteld om de terugkeer naar Venezuela te verzekeren. De rechtbank overweegt dat eisers op 16 juni 2022 asielaanvragen hebben ingediend. Op 15 augustus 2023 zijn deze aanvragen afgewezen en is bepaald dat deze besluiten tevens als terugkeerbesluiten gelden en zij een termijn van vier weken hebben om aan dit terugkeerbesluit te voldoen. Tevens is vermeld dat als zij beroep instellen binnen de termijn van vier weken, zij de uitspraak op dit beroep mogen afwachten. De rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft op 8 april 2024 uitspraak gedaan op de beroepen en deze ongegrond verklaard. Eisers hebben hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het is dus feitelijk juist dat eisers een besluit hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en eisers daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven. Eiser hebben echter een rechtsmiddel aangewend en hebben verklaard de uitkomst van het hoger beroep graag in Nederland te willen afwachten. De rechtbank overweegt dat hun aanvragen zijn afgewezen en verweerder niet heeft bepaald en ook niet kan bepalen dat eisers het hoger beroep mogen afwachten. Dit betekent echter niet reeds daarom dat uit deze feitelijk juiste grond een onttrekkingsrisico blijkt. Dit is ook niet nader gemotiveerd. Wel blijkt uit de maatregel dat eisers zich steeds aan hun meldplicht hebben gehouden en zijn verschenen voor vertrekgesprekken. Zware grond 3i is ook ter onderbouwing van het onttrekkingsrisico opgevoerd. De “tegenwerping” dat eisers te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer is weliswaar feitelijk juist, maar is geen volledig weergave van de inhoud en strekking van hun verklaringen. Uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij de uitspraak in hoger beroep willen afwachten omdat ze stellen te vrezen bij terugkeer en daarna, als ze niet in het gelijk worden gesteld, zullen vertrekken. In het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, waar vader en moeder en de meerderjarige zoon met hun toestemming gelijktijdig zijn gehoord, hebben eisers allereerst verklaard dat zij in de veronderstelling verkeerden dat zij het hoger beroep in Nederland mochten afwachten. Toen uitgelegd is dat dat niet het geval is en er reeds aan terugkeer is gewerkt en een vlucht is geboekt, hebben eisers verklaard dat zij niet zullen meewerken omdat ze eerst met hun advocaat willen overleggen, waarbij de rechtbank opmerkt dat bedoeld lijkt te zijn de advocaat die eisers bijstaat in de asielprocedure. Eisers hebben ook verklaard overleg te hebben gehad met het IOM om te bespreken of zij naar een ander derde land kunnen gaan. In het vertrekgesprek van 23 mei 2024, waarbij het gezin de vlucht is aangezegd, hebben eisers verklaard dat zij het gesprek met de IND dat plaatsvindt op 24 mei 2024 willen afwachten. Eisers hebben een herhaalde asielaanvraag ingediend omdat zij inmiddels beschikten over nieuwe documenten. Deze aanvragen zijn afgewezen op 24 mei 2024 middels een zogenaamd 3.1 Vb-besluit. Ook aan deze afwijzing van de herhaalde aanvragen is geen schorsende werking bepaald indien bezwaar wordt ingesteld. Ter zitting is aangegeven dat de Afdeling kort voor de zittingsdatum heeft beslist op het hoger beroep en eisers niet in het gelijk zijn gesteld. Ten tijde van de onderhavige uitspraak is deze uitspraak van de Afdeling nog niet gepubliceerd. De motivering in de maatregel van 17 mei 2024 dat omdat eisers nog niet hebben voldaan aan hun terugkeerplicht en met name de uitspraak van 8 april 2024, hieruit blijkt dat het niet aannemelijk is dat zij thans wel uit vrije wil zullen vertrekken en er daardoor een risico bestaat dat zij zich in de toekomst zullen onttrekken, acht de rechtbank onvoldoende toegespitst op de verklaringen en gedragingen van eisers. Zware grond 3i is deels gemotiveerd door te verwijzen naar passages in het aanmeldgehoor en het nader gehoor. De rechtbank overweegt dat hieruit geen onttrekkingsrisico kan worden afgeleid. Eisers zijn immers gehoord op hun asielmotieven en vanzelfsprekend verklaren zij in de gehoren niet terug te willen keren naar Venezuela. Dat is inherent aan het verzoeken om internationale bescherming en kan dus niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd om een onttrekkingsrisico te onderbouwen. Verder zijn er passages aangehaald uit de diverse vertrekgesprekken. Ook ten aanzien van deze passages geldt dat het onvoldoende recht doet aan de strekking van de verklaringen van eisers om enkel te vermelden dat zij hebben verklaard niet terug te willen keren. Eisers verklaren dit namelijk steeds in samenhang met hun asielaanvraag en de nog lopende hoger beroep-procedure. De motivering dat “betrokkenen overduidelijk én vanaf het begin laten zien dat zij geen medewerking willen verlenen aan de verplichting tot vertrek” acht de rechtbank niet zorgvuldig. Verweerder heeft niet nader gemotiveerd waarom het onttrekkingsrisico wordt aangenomen gelet op de duidelijke verklaringen van eisers dat hun asielprocedure aanhangig is in die zin dat het hoger beroep ten tijde van de oplegging van de maatregelen nog aanhangig was. De rechtbank wijst er overigens op dat eisers daadwerkelijk, nadat de Afdeling uitspraak heeft gedaan, zijn vertrokken en er geen indicaties zijn dat eisers zich op enige wijze hebben verzet of hebben getracht aan deze feitelijke uitzetting te ontkomen.