ECLI:NL:RBDHA:2024:8381
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening teruggave identiteitskaart vreemdeling
Verzoeker, een Poolse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzocht om een voorlopige voorziening tot teruggave van zijn ingenomen identiteitskaart. De kaart was op 14 februari 2024 tijdelijk ingenomen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet voldoen aan de vertrekplicht. Verzoeker stelde dat hij door het ontbreken van de kaart in zijn vrijheid werd beperkt en dat hij zich niet vrij kon bewegen, niet kon werken en Nederland niet vrijwillig kon verlaten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker zijn spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Het enkel stellen van bewegings- en werkbeperkingen volstond niet, mede omdat verzoeker zich kon identificeren met een gewaarmerkte kopie van de kaart en het reisdocument terugkrijgt bij vrijwillig vertrek. Tevens was er geen sprake van evidente onrechtmatigheid van het besluit tot inname, aangezien dit rechtmatig was genomen op grond van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingbesluit.
De aanvraag tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De rechter benadrukte dat het bezwaar tegen de weigering tot teruggave van de kaart een feitelijke handeling betreft waartegen bezwaar openstaat, zodat een adequate bestuurlijke rechtsgang beschikbaar is. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot teruggave van de identiteitskaart wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.