ECLI:NL:RBDHA:2024:8361
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag van 15 oktober 2020
Eiser diende op 15 oktober 2020 een asielaanvraag in. De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk was, maar de overdracht aan Zwitserland vond niet tijdig plaats. Eiser diende daarom op 8 juni 2022 een nieuwe aanvraag in. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de staatssecretaris alsnog definitief moest beslissen op de oorspronkelijke aanvraag vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn.
De rechtbank stelde vast dat de maximale beslistermijn van 21 maanden begon te lopen op 15 oktober 2020 en eindigde op 15 juli 2022. Eiser stelde de staatssecretaris op 11 september 2023 in gebreke en stelde daarna beroep in. Het beroep werd als ontvankelijk en gegrond beoordeeld omdat de beslistermijn was overschreden.
De rechtbank legde een termijn van twee weken op aan de staatssecretaris om alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met een nader gehoor en het geven van een zienswijze. Bij overschrijding van deze termijn moet de staatssecretaris een dwangsom van €100 per dag betalen, met een maximum van €7.500. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van €437,50 aan proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.