ECLI:NL:RBDHA:2024:8051
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris in proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening tijdelijke bescherming
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin de tijdelijke bescherming van verzoeker werd beëindigd. Tegelijkertijd verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om onevenredig nadeel te voorkomen. Na het indienen van het verzoek heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer en burgemeesters bericht dat de beëindiging van tijdelijke bescherming voor personen zoals verzoeker wordt bevroren.
Hierdoor werd aan verzoeker medegedeeld dat hij langer gebruik mag maken van zijn tijdelijke bescherming, waarmee feitelijk tegemoet is gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker trok daarop zijn verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris met het bevriezen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming heeft voldaan aan het doel van de voorlopige voorziening en veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 875.