ECLI:NL:RBDHA:2024:7401
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 28 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is opgelegd. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek en constateerde dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.
Hoewel de rechtbank constateerde dat het vooronderzoek niet binnen de wettelijke termijn van een week na ontvangst van het beroepschrift was gesloten, achtte zij dit niet onrechtmatig omdat de totale termijn tussen beroep en uitspraak binnen 21 dagen bleef, conform artikel 5 EVRM Pro. De rechtbank concludeerde dat eiser hierdoor niet in zijn belangen was geschaad.
Eiser voerde aan ernstig ziek te zijn en onvoldoende medische zorg te ontvangen in detentie. De rechtbank vond echter dat uit het medisch dossier bleek dat passende medische zorg werd verleend en dat er geen feiten waren die detentieongeschiktheid aannemelijk maakten. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder woog dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.