ECLI:NL:RBDHA:2024:705
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 december 2023 waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen, en daarnaast een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar zijn opgelegd. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening. Op 16 januari 2024 werden beroep en verzoek om voorlopige voorziening gelijktijdig behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank kreeg bericht dat eiser op 10 januari 2024 de opvang had verlaten en met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser bevestigde dat zij geen adres van eiser kende, hoewel er op 11 januari nog telefonisch contact was geweest. Volgens vaste jurisprudentie wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bekend verblijf vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij het tegendeel blijkt uit contact met de gemachtigde die zijn verblijfplaats kent.
Omdat de gemachtigde niet wist waar eiser verbleef en eiser niet op zitting verscheen, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij behandeling van het beroep. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.