Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland wegens mishandeling na weigering deel te nemen aan Jihad-trainingen op een madrassa. Zijn aanvraag werd afgewezen door de staatssecretaris, die zijn verhaal over de groepering Aljaish Mahammadi ongeloofwaardig achtte en geen beschermenswaardig gezinsleven met zijn Nederlandse vriendin aannam.
Eiser overlegde een iMMO-rapport dat psychische problematiek constateerde die mogelijk zijn verklaringen beïnvloedde. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris dit rapport onvoldoende zorgvuldig had betrokken en onvoldoende had gemotiveerd waarom de psychische beperkingen niet van invloed zouden zijn op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Daarnaast was de belangenafweging over het gezinsleven onvoldoende gemotiveerd, mede omdat verweerder onvoldoende rekening hield met de relatie en toekomstplannen van eiser en zijn vriendin. De rechtbank vernietigde het besluit, gaf de staatssecretaris twaalf weken om een nieuw besluit te nemen en kende proceskostenvergoeding toe aan eiser, inclusief vergoeding voor het iMMO-rapport.