ECLI:NL:RBDHA:2024:6809
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens erkenning als vluchteling in eerste land van asiel Irak
Eiseres, een Syrische vrouw, vluchtte in 2013 met haar gezin naar de Koerdisch Autonome Regio (KAR) in Irak, waar zij als vluchteling geregistreerd is en een tijdelijke verblijfsvergunning bezit die jaarlijks wordt verlengd. In 2024 vroeg zij asiel aan in Nederland, maar de staatssecretaris verklaarde haar aanvraag niet-ontvankelijk omdat zij in Irak als vluchteling erkend is en daar bescherming geniet.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, namelijk dat van het eerste land van asiel, en dat het niet noodzakelijk was om ook te toetsen aan de criteria voor een veilig derde land. De rechtbank stelt vast dat Irak voldoet aan de vereisten van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000, waaronder naleving van het non-refoulementbeginsel en het bieden van toegang tot voorzieningen zoals onderwijs en gezondheidszorg.
Eiseres voerde aan dat de situatie in Irak onveilig is en dat zij niet langer in de KAR kan verblijven, maar de rechtbank vond haar verklaringen onvoldoende om hiervan uit te gaan. Ook het ontbreken van gerichte vragen in het nader gehoor over haar vertrek uit de KAR leidt niet tot een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank bevestigt dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is en wijst het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.