Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[gedaagde 1] te [woonplaats] ,
[gedaagde 2]te [woonplaats] ,
mr. D.A. IJpelaar aanwezig.
Rechtbank Den Haag
Eiser had op grond van eerdere geldleningsovereenkomsten en een vaststellingsovereenkomst de verplichting om een woning te leveren aan de erven van de oorspronkelijke schuldeiser. Na het verstrijken van een termijn om de woning aan een derde te verkopen, diende eiser de woning aan de erven te leveren. Eiser sloot later een koopovereenkomst met een derde partij tegen een hogere prijs dan de koopprijs met de erven, maar de erven weigerden mee te werken aan deze verkoop.
Eiser vorderde in kort geding dat de erven zouden worden verplicht mee te werken aan de verkoop aan de derde partij en dat hij zou worden ontheven van zijn leveringsverplichtingen aan de erven. De voorzieningenrechter oordeelde dat het onherroepelijke vonnis van 11 augustus 2023 de leidraad is en dat eiser de woning aan de erven moet leveren, omdat hij de gestelde termijnen voor verkoop aan een derde niet heeft benut.
De voorzieningenrechter stelde dat eiser geen aannemelijke gronden had gegeven voor een juridische of feitelijke misslag in het vonnis of dat de executie een noodtoestand zou veroorzaken. Het verzoek tot schorsing van de executie werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot schorsing van de executie af en veroordeelt eiser in de proceskosten.