Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in de gemeente Westland, vastgesteld op €597.000 per 1 januari 2021. Hij stelde een lagere waarde van €572.000 voor en voerde aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met gedateerde voorzieningen, matig onderhoud en isolatie.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De gebruikte vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en de woning was bij opname in december 2022 gemiddeld van kwaliteit en onderhoud. Ook het gebruiksoppervlak en de correcties voor afnemend grensnut waren volgens de rechtbank adequaat onderbouwd.
Verder faalden de bezwaren over het niet verstrekken van grondstaffels, indexeringsanalyses en KOUDV-factoren, aangezien waardering geen exacte wetenschap is en het gaat om de WOZ-waarde als geheel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het bezwaar minder dan twee jaar voor de uitspraak was ingediend.
De uitspraak werd gedaan door rechter K.G. Scholten op 29 februari 2024. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.