De meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft op 23 april 2024 uitspraak gedaan over meerdere wrakingsverzoeken van verzoeker gericht tegen rechters in diverse civiele hoofdzaken. Verzoeker had deze wrakingsverzoeken ingediend voorafgaand aan de aanwijzing van een behandelend rechter, mede vanwege onvrede over griffierechten en procedurele aspecten.
De wrakingskamer overwoog dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen een rechter die de zaak inhoudelijk behandelt. Omdat in de betreffende hoofdzaken het griffierecht niet was voldaan en daardoor nog geen rechter was toegewezen, ontbrak het aan een behandelend rechter. Hierdoor verklaarde de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoeken.
Verder werd vastgesteld dat een mondelinge behandeling van de wrakingsverzoeken niet nodig was, omdat het debat over de gegrondheid van het verzoek niet aan de orde kwam. De procedure in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van de wrakingsverzoeken. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.