ECLI:NL:RBDHA:2024:5897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser, met de Ghanese nationaliteit, is op 14 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij maakte bezwaar tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 11 april 2024 zonder zitting.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring over de periode van 7 maart tot 11 april 2024, waarbij zij concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Ghana. Ondanks het ontbreken van een definitieve reactie van de Ghanese autoriteiten, is er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser werkte niet mee aan zijn presentatie aan de Ghanese autoriteiten, wat het proces vertraagt.
De rechtbank oordeelde dat het detentieregime passend is en dat eiser toegang heeft tot medische zorg gelijk aan die in de vrije maatschappij. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat een lichter middel passend zou zijn. Het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring weegt zwaarder dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.