ECLI:NL:RBDHA:2024:5535
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers, allen van Syrische nationaliteit, deden beroep tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen door Nederland, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eisers voerden aan dat familieleden in Nederland wonen en dat het belang van de minderjarige kinderen bij opname in de Nederlandse procedure onvoldoende is meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland blijft gelden, omdat eisers onvoldoende concrete onderbouwing leverden van systeemfouten in de Duitse asielprocedure of opvangvoorzieningen. Ook het argument over rechtsbijstand in Duitsland werd verworpen, omdat de Procedurerichtlijn geen verplichting tot kosteloze rechtsbijstand in eerste aanleg oplegt.
Verder concludeert de rechtbank dat verweerder terecht geen toepassing gaf aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die overdracht naar Duitsland onevenredig hard maken. Familiebanden in Nederland zijn op zichzelf onvoldoende.
Ten aanzien van het belang van het kind oordeelt de rechtbank dat verweerder dit voldoende heeft betrokken, onder verwijzing naar artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, en dat overdracht naar Duitsland niet zonder meer leidt tot schending van de belangen van de minderjarige kinderen.
De beroepen worden ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.