ECLI:NL:RBDHA:2024:5479
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens misleiding en onvoldoende risico op schending art. 3 EVRM in Algerije
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 2 februari 2024 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris op 26 februari 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De staatssecretaris baseerde de afwijzing op artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet wegens misleiding omtrent identiteit en op artikel 29, eerste lid, onder b, wegens onvoldoende bewijs van risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
Eiser voerde aan dat hij geen misleiding heeft gepleegd richting de Nederlandse autoriteiten en dat zijn vertrek uit Algerije vooral economische motieven had. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris terecht aannam dat eiser onjuiste informatie had verstrekt over zijn identiteit, mede gelet op discrepanties met gegevens uit Zwitserland. Daarnaast slaagde eiser er niet in aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling in Algerijnse detentie.
De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond is verklaard, waardoor eiser geen verblijfsvergunning krijgt en ook geen proceskostenvergoeding ontvangt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens misleiding en onvoldoende risico op schending van artikel 3 EVRM.