ECLI:NL:RBDHA:2024:4934
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris op 1 februari 2024 niet in behandeling werd genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser was niet verschenen bij de gehoren op 4 en 8 januari 2024, ondanks uitnodigingen, en stelde dat dit kwam door zijn detentie. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris aannemelijk had gemaakt dat de uitnodigingen waren ontvangen en dat eiser niet opnieuw gehoord hoefde te worden. Het ontbreken van persoonlijke omstandigheden die overdracht aan Zwitserland verhinderen, leidde tot afwijzing van dit verweer.
Verder stelde eiser dat overdracht aan Zwitserland een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren vanwege het risico op onvoldoende opvang. De rechtbank verwierp dit omdat Zwitserland gebonden is aan internationale verdragen en geen bewijs is geleverd van tekortkomingen of schendingen.
De rechtbank concludeerde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de staatssecretaris het besluit voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is ongegrond verklaard en de overdracht aan Zwitserland is toegestaan.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en overdracht aan Zwitserland is toegestaan.