ECLI:NL:RBDHA:2024:4801
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring na afwijzing asielaanvraag
Eiser, met de Libische nationaliteit, is op 30 januari 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Na afwijzing van zijn asielaanvraag is de maatregel verlengd en voortgezet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel vanaf 13 februari 2024. Verweerder heeft de maatregel verlengd op basis van artikel 59b, derde lid, Vw, vanwege onderzoek naar identiteit en nationaliteit van eiser, die wisselende en tegenstrijdige verklaringen gaf. Verweerder heeft de terugkeerverplichting gewijzigd en Algerije en Marokko als landen van bestemming aangewezen.
Eiser voerde aan dat uitzettingshandelingen niet mochten worden verricht zolang de asielprocedure niet was afgerond en dat een lichter middel volstond vanwege zijn kwetsbaarheid. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd en verplicht is uitzettingshandelingen te verrichten en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn vertrek. De medische zorg is adequaat en de kwetsbaarheid van eiser rechtvaardigt geen opheffing van de maatregel.
De rechtbank concludeert dat verweerder voortvarend handelt, regelmatig vertrekgesprekken moet blijven voeren en dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt gehandhaafd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de maatregel wordt gehandhaafd.