ECLI:NL:RBDHA:2024:4800
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening, beroep ongegrond
Opposant heeft op 6 november 2023 asiel aangevraagd in Nederland, maar de aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 7 februari 2024 kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
In het verzet stelt opposant dat de medische situatie van zijn echtgenote, die afhankelijk van hem is, niet is betrokken in de eerdere uitspraak. De rechtbank oordeelt dat de medische stukken van de echtgenote wel tijdig beschikbaar waren, maar niet zijn meegewogen, waardoor het beroep niet zonder zitting had mogen worden afgedaan. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervalt.
De rechtbank doet vervolgens inhoudelijk uitspraak op het beroep en oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en opposant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Frankrijk een reëel risico inhoudt op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De medische situatie van de echtgenote leidt niet tot een risico op aanzienlijke verslechtering van haar gezondheid en rechtvaardigt geen uitzondering. Ook een beroep op artikel 11 en Pro 17 van de Dublinverordening slaagt niet.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan opposant.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, het beroep ongegrond, en verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten.