Betrokkene is onder beschermingsbewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De bewindvoerder was reeds vóór het bewind gewaarborgde hulp en nam een vergoeding op uit het vermogen van betrokkene voor deze periode. De kantonrechter stelt vast dat de vergoeding voor de periode vóór het bewind niet toereikend was gemotiveerd en deels ten onrechte is opgenomen.
De bewindvoerder ontving een totaalbedrag van €557,34 voor PGB-beheer en gewaarborgde hulp over 2021, waarvan €307,34 betrekking had op een periode vóór het bewind. Na beoordeling van de indicaties en de machtiging tot beloning, concludeert de kantonrechter dat de bewindvoerder slechts recht had op €474,63. Het teveel ontvangen bedrag van €82,72 moet worden terugbetaald.
De kantonrechter beveelt terugbetaling binnen een maand en legt de bewindvoerder een bewijs van storting op. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Den Haag.