ECLI:NL:RBDHA:2024:4579
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEU wegens bestaand verblijfsrecht in andere lidstaat
Eiser, met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, woont sinds 2003 in Nederland en heeft een dochter met het Europees burgerschap. Hij verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEU Pro, stellende dat zijn dochter de EU zou moeten verlaten als hij zelf zou moeten vertrekken.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser een geldig verblijfsrecht in Litouwen heeft, een lidstaat van de EU, en er geen bewijs is dat dit recht is vervallen. De rechtbank oordeelde dat de dochter daardoor niet de EU hoeft te verlaten en dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht toekomt.
Eiser voerde aan dat hij niet naar Litouwen kan terugkeren zonder uitgezet te worden, en dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank stelde vast dat de belangenafweging door de staatssecretaris zorgvuldig en in overeenstemming met jurisprudentie is gemaakt, waarbij het algemene belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaar weegt.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.