ECLI:NL:RBDHA:2024:429

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
17 januari 2024
Zaaknummer
NL23.39662
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder b en c Vw 2000Art. 64 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 13 december 2023 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd en werd eiser bevolen Nederland onmiddellijk te verlaten.

Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de procedure bleek uit stukken dat eiser op 5 januari 2024 met onbekende bestemming was vertrokken. Zijn gemachtigde gaf aan niet op de hoogte te zijn van zijn verblijfplaats en dat eiser niet was verschenen op een geplande afspraak.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde en niet meer prijs stelt op de bescherming die hij aanvankelijk verzocht. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39662

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw [1] 2000 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Daarbij is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en evenmin voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro 2000. Daarnaast is aan eiser medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten evenals dat een inreisverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd.
Eiser heeft tegen het beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening [2] . Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Op 8 januari 2024 heeft verweerder stukken in het digitale dossier geüpload waaruit blijkt dat eiser op 5 januari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
De gemachtigde van eiser heeft via een bericht in het digitale dossier desgevraagd aangegeven dat zij niet op de hoogte is van de verblijfsplaats van eiser en ook dat eiser niet is verschenen op een op 8 januari 2024 met haar geplande afspraak. Verder heeft eisers gemachtigde aangegeven niet op de zitting van 18 januari 2024 te zullen verschijnen en de rechtbank verzocht om op de stukken uitspraak te doen.
Nu ook verweerder, nadat hij is gewezen op zijn recht ter zitting te worden gehoord, niet heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat een zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 16 januari 2024 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [3] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde heeft aangegeven dat zij niet bekend is met eisers verblijfplaats en dat eiser evenmin is verschenen op een geplande afspraak met haar. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. In lijn met de vaste jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat eiser gelet op het voorgaande geen procesbelang heeft.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet.
2.NL23.39663.
3.Uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.