Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse staatsburger, werd op 26 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en zijn vertrek zou belemmeren. De maatregel werd op 14 maart 2024 opgeheven nadat eiser daadwerkelijk naar Polen was uitgezet.
Eiser betwistte de grondslagen van de bewaring, waaronder de zware grond dat hij niet aan zijn vertrekplicht had voldaan en de lichte gronden dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had en niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist waren en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij Nederland daadwerkelijk en effectief had verlaten.
Verder stelde eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat de bewaring onevenredig zwaar was. De rechtbank vond echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet effectief zou zijn en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de bewaring onredelijk maakten.
Ten slotte stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting. De rechtbank concludeerde dat de uitzetting binnen een redelijke termijn was gerealiseerd en dat er voldoende voortvarendheid was betracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen omdat de bewaring rechtmatig was en de uitzetting binnen een redelijke termijn is uitgevoerd.