ECLI:NL:RBDHA:2024:315
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak Dublinverordening asielaanvraag
Verzoeker, een Algerijnse asielzoeker, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van het asielverzoek.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak had gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.36700), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Om die reden wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.