ECLI:NL:RBDHA:2024:2380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens criminele veroordelingen
Eiser, een Poolse EU-onderdaan, werd geconfronteerd met beëindiging van zijn EU-verblijfsrecht en een ongewenstverklaring door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege meerdere veroordelingen voor misdrijven tussen 2014 en 2023. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij niet gehoord was in bezwaar en dat het besluit mede was gebaseerd op niet-onderbouwde feiten.
De rechtbank oordeelde dat het horen voorafgaand aan het primaire besluit en het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar niet automatisch betekende dat van horen in bezwaar moest worden afgezien, maar dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden. De rechtbank vond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat het bestreden besluit terecht in stand bleef.
Verder was het bestreden besluit mede gebaseerd op recente justitiële documentatie die ook door eiser zelf was overgelegd, waardoor er geen reden was om eiser alsnog te horen. De beroepsgrond over een verdenking van fietsendiefstal in 2023 kon het besluit niet doen veranderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees terugbetaling van griffierecht af en kende geen proceskostenvergoeding toe. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen beëindiging van het EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.